Dinges

 

Home

Projecten

Info

Contact

Tekst

Tentoonstelling
OnderzoekEn...

NAi Salon, 22 februari 2006.

Bouwende architecten praten niet

Blue Architects en Korth Tielens

Bouwen maakt architectuur banaal, zo luidde het veelgehoorde antwoord van de genodigde bureaus op de morele vragen van moderator Lucas Verweij. “Ik kan hier wel een soort standaardpresentatie gaan houden over het belang van differentiatie in de woningbouw, maar op het moment dat we gaan bouwen is dat slechts een futiel idee”, zo stelde Ludo Grooteman van Blue Architects. Korth Tielens knikte instemmend: “Bouwen is nou eenmaal vrij plat”.

Voor Blue Architects vormde de opdracht voor een chalet in Zwitserland een keerpunt in hun bureaugeschiedenis. Ludo Grooteman en Gianni Cito, beiden opgeleid aan de AA in Londen en samengewerkt bij dé conceptarchitect Ben van Berkel, hadden met de oprichting van Blue Architects (2000?) al besloten om veel fysieker te gaan werken. Ze voelden geen verwantschap meer met de ingewikkelde computergetekende modellen van Van Berkel, waarin schaal en ruimtelijkheid nauwelijks voelbaar waren. In eigen prijsvraaginzendingen experimenteerden ze dan ook met ruimtelijke maquettes. De echte confrontatie met materiaal en constructie kwam echter pas met hun eerste bouwopgave, een chalet in Zwitserland. Boekwerken aan Zwitserse bouwvoorschriften en een uiterst kritische gemeente (Lauenen) dwongen hen tot een vakkundige, flexibele houding. Na enkele afwijzingen ging Blue Architects studie verrichten naar de opbouw van chalets en om de tafel met lokale constructeurs. Met resultaat: op het volledig uit hout opgebouwde chalet (zelfs houten verbindingen) met de semi-private rondgang en de uitgekiende indeling, zijn ze met recht nog steeds trots. Het leverde ze bovendien meer Zwitserse bouwopgaven en een Zwitsers bureau op.

Vanaf dat moment was het voor Blue Architects duidelijk dat bouwen een vak apart is en dat ze in dat vak verder wilden. Grooteman: “Eerder vormden we altijd een statement en probeerden we dat zo goed mogelijk in het gebouw te verwerken, maar dit keer draaide het alleen om het bouwproces”. In hun volgende ‘onsjieke' opgaven, waaronder een appartementengebouw uit Heembetonelementen in Alkmaar en woontorens in Vissingen, gingen ze dan ook met dezelfde aandacht voor details, dezelfde samenwerking met aannemers en constructeurs en dezelfde integraliteit te werk. Voor het ontwerp in Alkmaar leerde Cito bijvoorbeeld de mogelijkheden van de Heembetonfabriek uit zijn hoofd kennen. Uiteindelijk kwamen ze zo tot een goedkoop en toch aantrekkelijk systeem van in- en uitspringende standaardelementen. Cito: “We proberen technieken te kneden om zo onze concepten vorm te geven”.

Dat die concepten echter (tijdelijk) een bijrol spelen, komt niet alleen door de fascinatie voor bouwen, maar ook door het gebrek aan tijd en energie: “Het nadeel van bouwen is dat je bijna geen tijd hebt om na te denken”. Toch ziet Blue Architects wel een eigen achterliggend idee, dat vooral zit in de kwaliteit van het gebouw zelf en de aandacht voor de gebruiker. De hoogdravende architectonische concepten die ze er bij Van Berkel uitpoepten, hebben plaatsgemaakt voor de kunst van het bouwen. En dat maakt verschil, want bouwen betekent samenwerken met bouwvakkers en andere mensen, waar architectuur bestaat uit het op hoog niveau praten en denken met gelijkgestemden.

Met deze uitspraken schoof Blue Architects de papieren architectuur uit zijn beginjaren aan de kant als bijzaak. Daarmee riepen ze de nodige verontwaardiging op: alsof er zo'n groot verschil zou zijn tussen de ideeënwereld en de bouwpraktijk! Denken en bouwen zouden toch samen moet kunnen komen! Een van de aanwezigen merkte op dat deze ontwikkeling van Blue Architects iets treurigs had, alsof het hoge ambitieniveau was losgelaten voor een lager doel. Uit de presentatie sprak een zekere verontschuldiging voor het feit dat ze dan wel van huis uit architecten waren, maar nu toch wel vooral bouwden. Alsof ze het ambacht nog niet genoeg onder de knie hadden om daar hun ideeën mee te verwezenlijken. Een ander vond het huidige ambitieniveau in ieder geval te laag, omdat het slechts gebaseerd leek te zijn op praktische eisen, materiaaleigenschappen, kosten enzovoorts en het aan iedere maatschappelijke inbedding ontbrak. Blue Architects probeerde deze beweringen te weerleggen door te wijzen op perfectie en schoonheid als ambitieniveau: “we zoeken naar primaire middelen die een gebouw mooi en spannend maken, zoals een verrassende plattegrond, een andere trap, een hoger raamkozijn”.

In dit pleidooi voor simpelweg mooie gebouwen werd Blue Architects gesterkt door Gus Tielens, die in haar presentatie al minstens drie keer het woord ‘mooi' voor haar eigen gebouwen had gebruikt en lichtelijk verbaasd was over de heftige reacties op de uitspraken van Blue Architects: “Architectuur met een grote A zit toch ook in de kunst om een simpele opgave op een tweederangs plek zo goed mogelijk te volbrengen? Bouwen en architectuur liggen voor mij niet uit elkaar”. Korth Tielens heeft zich vanaf haar oprichting (2001) doelbewust beziggehouden met bouwopgaven. Haar ambitie is om zowel voor de opdrachtgever/gebruiker als voor de omwonenden een optimaal gebouw te ontwikkelen. Veel aandacht, precisie en oog voor detail vormen haar troeven. Vanaf het begin van het ontwerpproces heeft het bureau veel aandacht voor afwerkingen en verbindingen, vaak zo vroeg dat “een aannemer zich pas later realiseert waar hij nou eigenlijk zijn handtekening onder gezet heeft”. Haar eerste bouwopgave (2002-2003) bestond uit de renovatie van een bankgebouw in Amsterdam met allerlei kamers, hoekjes, leidingen en plafonds tot een tentoonstellingsruimte voor een interieurwinkel. Korth Tielens opende niet alleen het interieur en creëerde zo een doorkijk naar de binnentuin, maar opende tevens de gevel door enorme ramen zonder raamkozijnen in de gevel te laten verzinken. Onderzoek van het bureau had uitgewezen dat verschillende aan elkaar gelijmde glasplaten voor voldoende stevigheid zouden zorgen. Dat Korth Tielens de detaillering als specialisme ontwikkelde, bleek wel uit Tielens' expliciete commentaren over subtiel geplaatste verlichting, weggewerkte suskasten en zorgvuldige verbindingen.

Soortgelijke commentaren vergezelden de foto's van een onlangs opgeleverd woningbouwproject in de Eerste Helmersstraat in Amsterdam: Korth Tielens benadrukte hier de geleverde strijd voor het travertin trappenhuis met lichtlijnen. Uit dit project sprak naast de liefde voor verfijning van details, ook de aandacht voor de plattegrond en inpassing in de omgeving. Het bureau verdeelde iedere verdieping in twee L-vormige appartementen, waarvan de één zijn langste zijde met erker aan de voorzijde van het gebouw heeft, en de ander met groot balkon aan de achterzijde. Het gebouw springt ten opzichte van de overige bebouwing in de straat iets naar achteren, terwijl de uitkragende erkers weer reageren op de aanwezige rooilijn. Dit levert op onopvallende wijze een dynamischer straatbeeld op. Vandaar ook dat Tielens tijdens de discussie over de keuze voor mooie gebouwen, de zaal om nuance vroeg: “Wat is nu volgens jullie ook alweer een mooi gebouw? Want als we iets willen, dan is dat wel dat we voor de mensen die daar wonen en voor dat stukje stad het meest optimale ontwerpen”. De opmerking van Verweij, dat een ontwerper óf voor de bewoner óf voor de stad bouwt, werd door Tielens dan ook gepareerd met een rustig ‘nee, daar ben ik het niet mee eens'. De daaropvolgende typering ‘klantplezierende appartementen' lokte meer reactie uit, maar leidde niet tot benoeming van een kernidee. Het bureau wees vooral op het belang van een ‘goed gevoel' en bekende vaak de eigen bereidwilligheid om ergens te wonen als maatstaf voor een goed ontwerp te gebruiken.

Dit leek voor Verweij het startsein te zijn om alles uit de kast te halen: “Uit die liefde voor detail moet je toch een idee kunnen ontwikkelen dat dragend is voor het hele gebouw? Er moet toch meer intelligentie in jullie ontwerpen schuilen dan ik hier hoor? Waarom moet alles van jullie zo mooi, waarom is die ambitie er?” Wat volgde waren geen antwoorden, maar irritaties van beide bureaus. Grooteman verzuchtte dat Verweij zeker een verhaaltje wilde horen om de ontwerpen architectuur te laten zijn. En dat terwijl Blue Architects in het begin van haar presentatie nog pleitte voor de opzet van een puur bouwersdiscours, waarbij de aandacht nu eens niet uitgaat naar grandioze ideeën, maar waarbij bijvoorbeeld het aantal mogelijk oplossingen voor dat ene raamkozijn besproken wordt. Tielens gaf aan niet te snappen wat Verweij nou wilde. Uiteindelijk verklaarden beiden opgeleid te zijn of gewerkt te hebben met zulke grootse concepten, dat ze daaruit een soort allergie ontwikkeld hebben. Grooteman: “Drie jaar geleden hadden we je nu zo wat statements kunnen geven. Maar nu vinden we het een topsport om tegen lage prijzen mooie woningbouw te realiseren. We hebben nog steeds grote ideeën, maar dan binnen een bepaalde opgave”. Daarmee nam Blue de kritiek op haar presentatie echter niet weg, want een zeker ongeloof over de argeloosheid waarmee het bureau haar ideeën heeft opgegeven, bleef hangen. Alsof de hele zaal overtuigd was dat beide bureaus een intelligenter antwoord moesten hebben: “Als je een gecultiveerde architect wilt zijn, dan heb je een besef van wat jouw bijdrage is aan de architectuur van deze tijd en dan kun je dat formuleren, hoop ik”, stelde iemand. Dat in ieder geval Korth Tielens daar een ander middel voor wenste te gebruiken, bleek uit Tielens' allereerste zin waarin ze de hoop uitsprak dat de beelden van de projecten de kenmerken van het bureau voldoende zouden weergeven. Korth Tielens toonde zich ook na Verweijs kritiek nog niet overtuigd van de noodzaak van een uitsproken idee of koers. Blue Architects bond echter wel wat in en gaf aan dat de conceptuele kant nog niet overboord was gegooid, en dat die zich ongetwijfeld ook wel weer duidelijk zou gaan manifesteren. Zodat uiteindelijk concept en bouwen zouden culmineren. Bleef dat rare onderscheid tussen de ideeënwereld en de bouwwereld, maar vooruit: deze geruststellende woorden en de zonder meer mooie gebouwen waren voor nu voldoende. Maar Verweij waarschuwde wel: “Jullie komen in je leven nog meer van die irritante mannetjes als ik tegen, en die verwachten dan een intelligent antwoord. En daarvoor moeten jullie dieper gaan graven dan jullie nu doen”.

Korth Tielens

Mike Korth

Gus Tielens

www.korthtielens.nl

Blue Architects

Gianni Cito

Ludo Grooteman

Thomas Hildebrand (Zwitserland)

www.bluearchitects.com

< naar tekst