Dinges | |||
Tentoonstelling | Onderzoek | En... | |
NAi Bulletin, nr. 2, 2006, p. 65-72. Halt aan nederigheid / pleidooi voor nieuwsgierigheid De schokreactie die volgde op de aanslagen van elf september en op de moord op Pim Fortuyn en Theo van Gogh, leidde in de Nederlandse architectuur tot een hang naar traditionalisme en ambachtelijkheid. Daarmee dreigde de experimentele cultuur, waaraan de nineties architecten (waaronder MVRDV) vorm hadden gegeven, grotendeels verloren te gaan. Met als gevolg dat deze hun heil verder van huis gingen zoeken en dat de status van Nederland als opwindend architectuurland de eerste kreuken begon te vertonen. Gevoelens van angst overheersten en traditionalistische architectuur werd ingezet om ons gerust te stellen. Om uit deze slaaptoestand te ontwaken en weer een vooraanstaande positie op het internationale architectuurtoneel te verwerven, is een nieuwe nieuwsgierigheid naar ideeën, andere landen en de opstart van nieuw onderzoek nodig. Het Nederlands Architectuurinstituut, de Delft School of Design, het Berlage Instituut en het Ruimtelijk Planbureau kunnen hier een cruciale rol in spelen. “Het is interessant dat Aaron Betsky directeur van het NAi werd op het moment dat de Nederlandse architectuur een optimistisch hoogtepunt beleefde, en dat hij al heel snel de volledige omslag naar zwaarmoedigheid meemaakte. Aangetrokken door het bloeiende architectuurklimaat uit de jaren negentig, beseffend dat dit Nederland uniek maakte in de wereld, heeft hij steeds geprobeerd om iets van die vernieuwingsdrang vast te houden. De generatie die door Bart Lootsma in 2000 als ‘Superdutch' werd aangeduid, en die de tweede moderniteit in Nederland belichaamde, had in de jaren negentig alle kansen gekregen om zich te ontwikkelen. De groeiende economie en de steeds stijgende onroerend goed waarde creëerden een klimaat waarin vele opdrachtgevers zich wilden onderscheiden door middel van interessante architectuur; de vraag nam dus toe. Het vooruitzicht van de Europese eenwording zwengelde het verlangen naar differentiatie verder aan. Nederland had wat dat betreft ook een inhaalsprong te maken ten opzichte van andere Europese hoofdsteden, waarin de zoektocht naar een typisch stedelijke architectuur veel eerder was opgestart. Een van de sterke punten destijds was, dat Nederland de buitenlandse kennis dankbaar binnenhaalde en zich niet als een zielige Calimero beklaagde over zijn lot. Bovendien werd gelijktijdig aan deze roep om vernieuwing een cultureel systeem opgebouwd, met het Nederlands Architectuurinstituut (1988), het Stimuleringsfonds voor Architectuur (1993) en de Mondriaan Stichting (1994), dat ook de financiële ruimte bood aan architecten en critici om onderzoek op te starten en verdieping te zoeken. Tevens verschenen diverse architectuurprijzen, waaronder de NAi prijs voor jonge architecten ( die MVRDV bij de lancering in 2002 won), en de Bronzen Bever als prijs voor inspirerend opdrachtgeverschap (vanaf 1989). Dit optimistische, op vernieuwing en verdieping gerichte klimaat, bood jonge architecten veel kansen. Deze generatie, die in de jaren tachtig haar opleiding genoot, had het zwaarmoedige engagement van de jaren zeventig afgeworpen en kreeg de zelfverzekerdheid, de intelligente en kritische houding van Rem Koolhaas mee. Toen Jacob van Rijs, Nathalie de Vries en ik in 1991 MVRDV startten was Nederland druk doende om het Amerikaanse intellectualisme van Peter Eisenman cum suis een plaats te geven. Nederlandse architecten voelden zich enigszins geïntimideerd door hun ingewikkelde formuleringen over de symbolische waarde van architectuur, die vaak totaal ondoorgrondelijk waren voor buitenstaanders. Ondertussen werd echter ook zichtbaar dat deze theoretische ontwerpbenadering tot weinig echte bouwopdrachten leidde. Aan de andere kant was daar het intellectualisme van de Franse School met onder andere Paul Virilio, wier teksten over de invloed van versnelling op diverse factoren van de maatschappij tot onze verplichte lesstof behoorden en ons vaak in verwarring achterlieten over hoe die te vertalen in architectuur. Architecten als Herman Hertzberger, Aldo van Eyck en Rem Koolhaas boden aanknopingspunten voor de zoektocht naar een alternatieve benadering en daagden ons uit om het intellectualisme van repliek te voorzien. MVRDV heeft toen gekozen voor een onderzoekende ontwerphouding. Door middel van datascaping , een term die nu meer gemeengoed is maar destijds vernieuwend was, brachten we per opdracht de eisen en krachten in kaart, om zo vervolgens een scala aan mogelijkheden te kunnen presenteren. Later hebben we deze methode uitgebreid tot scenarioplanning, waardoor de gevolgen van iedere beslissing direct zichtbaar konden worden gemaakt. Voor de ontwikkeling van deze methodiek, die ons inziens in een lange Nederlandse traditie van onderzoekende stedenbouw staat, was de vernieuwingsdrang van de booming nineties cruciaal. Deze bood de intellectuele en financiële ruimte om ook op grotere schaal de grenzen van verschillende ruimtelijke vraagstukken op te zoeken, zoals van stedelijke dichtheid in Farmax (1998). Maar ook buiten dit conceptuele onderzoeksveld waren experimenten mogelijk: naar nieuwe materialen, vernieuwende typologieën, ondenkbare vormen. Er heerste zo'n optimistische stemming in het land, zo'n nieuwsgierigheid en wij als architecten waren er om dat gevoel te visualiseren. Dat gebeurde met zoveel enthousiasme en vrolijkheid dat Peter Buchanan zich midden jaren negentig openlijk afvroeg of de Nederlandse modernistische architectuur een nieuw, global tijdperk inleidde, of slechts de heftige schittering vlak voor de zonsondergang was: ‘a sunset effect, a terminal exaggeration of aspects of modernism'.(1) De jonge generatie kwam al snel bekend te staan om haar poëtisch pragmatisme, haar frisheid, ironie en straigthness . In de pers werden lijnen getrokken naar de nuchtere Hollandse Gouden Eeuw geest, de ingenieurskundige traditie van maakbaarheid, het humanisme en de bloeiende jaren van het Nieuwe Bouwen. Door gezamenlijke excursies naar het buitenland, publicaties en groepstentoonstellingen kregen we langzamerhand het stempel van een ‘Hollandse school'. Hoewel dat af en toe heel beklemmend voelde, heeft het in grote mate bijgedragen aan de grote aandacht voor Nederlandse architectuur in het buitenland. Ook het NAi heeft het ‘Dutch design', die intrigerende combinatie van architectuur en design, als exportproduct op de kaart gezet. Dat gebeurde al in de jaren negentig zelf, maar werd nog versterkt door de scherpe observatietechniek die Betsky in verschillende publicaties tentoonspreidde.(2) De aandacht vanuit het buitenland groeide: architectuurtoeristen bezochten de Superdutch projecten en verbaasden zich over het feit dat jonge bureaus hier zoveel kans kregen om te bouwen, terwijl wij toen al steeds minder met Nederlanders en steeds vaker met Denen en Duitsers, en later ook Aziaten om de tafel zaten. Nederland bleef ondertussen echter onze opwindende thuisbasis, waar we met onze ontwerpen ook steeds meer meespeelden in het publieke en politieke debat. Zo was ‘Pig City' (2001), de torenstad die het ruimteprobleem van biologische varkenshouderij in één klap oploste en daarmee een politiek-economisch gevoelig punt raakte, net door Pim Fortuyn en andere partijen opgenomen in het verkiezingsprogramma voor 2002. Het beloofde een interessante tijd te worden. De aanslagen van elf september en de moord op Fortuyn veranderden dit beeld echter volledig: niet langer waren economie en maakbaarheid de sleutelwoorden, maar concentreerde het politieke debat zich op waarden en normen. In de architectuurwereld was de onzekerheid direct voelbaar: vele opdrachten gingen niet door – voor ons onder andere de Hogeschool Arnhem Nijmegen (1998-2002) – en de ten tijde van de bubble uitgedachte projecten mislukten grotendeels. Dure stedenbouw en infrastructuur werd geschrapt en architectuur verschraalde. Allerbelangrijkst en treurigst was echter de ideologische neergang: terwijl twee generaties politici machteloos en vertwijfeld discussieerden, ontstond ook in de architectuur een radeloze richtingenstrijd. Experiment en ironie verdwenen ten gunste van een traditionelere stijl. De cruciale bouwprojecten in Nederland gingen plotseling naar geruststellende retro-architecten als Kolhoff, Krier en hun navolgers. Het Nederlandse architectuurklimaat stond daarmee niet langer in het teken van een nieuwsgierigheid naar de toekomst, maar van een slaapverwekkende hang naar het verleden. Daarmee werd tegelijkertijd de ambachtelijke kant van de architectuur omarmd op een manier alsof deze volledig verdwenen was in de voorgaande jaren. Vergeten werd dat het experimenteren met plattegronden, materialen en concepten van de Superdutch generatie óók ambachtelijk was. Echter, waar onze generatie de keuze maakte om de beperkte bouwbudgetten in het concept te investeren, koos de volgende generatie voor kostbaarder afwerkingen en detailleringen. Het is schrijnend dat in het verlengde daarvan ook direct fel geageerd werd tegen de conceptuele kant van de Superdutch architectuur. Sjoerd Soeters verbreidde de mening dat het ontwikkelen van concepten de architect afhoudt van het maken van goede, functionele en mooie gebouwen. In de pers werd dit standpunt veelvuldig overgenomen en door critici als Bernard Hulsman werd, op de rand van een zekere hetzevorming, meerdere malen gewezen op een vermeende onleefbaarheid van de ‘blobs' en supermodernistische gebouwen. ‘Hoe hebben we dit kunnen laten gebeuren?' leek de nieuwe orde zich af te vragen. De kritiek volgde de vraag van de markt, die verschoven was in de richting van traditionele architectuur. Daarnaast dook met name voor kantoorgebouwen en bedrijven de vercommercialiseerde versie van de jaren negentig architectuur op, waarin wel de vormentaal werd overgenomen, maar niet de weg daar naartoe. Het debat in Nederland werd sterk anticonceptueel en daarmee werden de ontwikkelde methodieken uit de jaren negentig – de verwetenschappelijking, de kritisch onderzoekende houding, de transparantie en directheid – afgedaan. Zo luidde de kritiek op ons bureau onder andere dat we door onze datagerichtheid te weinig aandacht besteedden aan de artistieke en intuïtieve kant van architectuur. De slinger was daarmee terug: waar wij met onze argumentatieve, onderzoeksmatige houding juist reageerden op de een overmatig ‘artistieke houding' die in de jaren negentig tot quasi autonomie gebouwen zonder stedenbouwkundige intentie had geleid, werd nu hier en daar de roep voor architectonische autonomie weer gepredikt. Ons inziens heeft het nog altijd voordelen om een inzichtelijke methodologie te formuleren, met name voor grootschaliger ontwikkelingen. Daarmee scharen we ons in de traditie van stedenbouwkundigen als Van Lohuizen. En dat raakt meteen een ander punt van kritiek, namelijk dat we zo grootschalig werken. Deze kritiek heeft ons wellicht alleen maar aangemoedigd. We zijn absoluut van mening dat helemaal in een land als Nederland waar maakbaarheid altijd een cruciaal thema is geweest, een architect op dit niveau moet denken. Het is de enige manier om collectieve elementen als infrastructuur, open ruimte en nationale parken op te bouwen. ‘The sky is the limit', vinden we. Ter illustratie: in een studie met ESA hebben we gewerkt aan het benutten van satellietsystemen voor relevante planningsvraagstukken op het gebied energie- en klimaatbegeleiding. Dat betekent niet dat het kleinere schaalniveau voor ons minder belangrijk is: bottom up en top down moeten samengaan. Daarom hebben we later de ‘Regionmaker' ontwikkeld, een software die beide niveaus samenbrengt. De geleverde kritiek heeft onze houding dan ook vooral aangescherpt. We beschouwen communicatie en discussie als een wezenlijk onderdeel van onze ontwerppraktijk: het zijn middelen om ‘gaten' in het denken te ontwaren, kennis te vergroten en kritiek te genereren, te incorporeren en te beantwoorden. Eigenlijk zoals onze generatie eerder ook het Franse en Oost-Amerikaanse intellectualisme van repliek voorzag. Een dergelijke methodiek lijkt fundamenteel te ontbreken in het huidige traditionalisme. Door de tactiek van de verschroeide aarde werden de schepen immers verbrand of gestigmatiseerd. Voor sommigen onder ons leek zelfs een soort beroepsverbod te ontstaan. Echte discussies, die juist op dat moment hard nodig waren, werden daardoor onmogelijk. Tussen de aandacht die uitging naar het ambachtelijk bouwen, was geen plaats voor kritische zelfreflectie die juist tot intelligente antwoorden had kunnen leiden. Vele jonge bureaus werden in één pennenstreek van de kaart geveegd en de hele Superdutch generatie kreeg het in eigen land moeilijk. Door de omslag in het architectuurklimaat werden we gedwongen om ons meer op het buitenland te richten, waar de Nederlandse houding die we de voorgaande jaren hadden opgebouwd, herkend en gewaardeerd werd. Ons paviljoen voor de Expo in Hannover (2000), dat ten tijde van de realisatie toonaangevend was voor de Nederlandse experimenteerdrift en het geloof in maakbaarheid, maar dat een jaar later allang niet meer de Nederlandse geest uitdrukte, leverde ons toen cynisch genoeg vele bouwopdrachten in het buitenland op. Binnen de kortste keren was 90% van onze opdrachten uit het buitenland afkomstig. De Hollandse flexibiliteit en het poëtisch pragmatisme maakten de Nederlandse bureaus uitermate geschikt voor nieuwsgierige en snelle, opkomende, nog niet al te rijke bouwwerelden. De Chinese markt is bijvoorbeeld sterk op vernieuwende concepten gericht, maar beschikt over te kleine budgetten om overvloedig gedetailleerde gebouwen neer te zetten. Bureaus als MVRDV hebben tevens het voordeel een werkmethode ontwikkeld te hebben in waarbij altijd samengewerkt wordt met een facilitair bureau, dat zorg draagt voor de uitwerking en uitvoering van bouwopdrachten. Hierdoor kunnen wij ons richten op onderzoek. Deze organisatievorm kan naadloos worden toegepast op de buitenlandse opdrachten, waarin samenwerking met een lokale architect noodzakelijk is. Inmiddels heeft vooral de Aziatische wereld het venster op Nederland volledig opengezet – de outsourcing van talenten als Richard Hutten naar Korea en Rem Koolhaas naar Azië zijn welbekend – maar sluit Nederland zelf het venster op de rest van de wereld. Momenteel kunnen we door krampachtige regelgeving met moeite mensen van buiten de EU aannemen. Terwijl Chineessprekende werknemers nodig zijn om opdrachten daar goed uit te voeren en om ons Nederlandse bureau van opdrachten te blijven voorzien en bovendien te blijven ontwikkelen. Nederland is haar zelfvertrouwen aan het verliezen en andere landen nemen het nu over. Zo werkt men nu in China aan een planningsapparaat op een schaal die voorheen alleen in Nederland voorkwam. De nieuwsgierigheid en de jonge honden attitude die Nederland zo kenmerkten, leven nu op in Spanje. De grondprijzen en onroerend goed prijzen waren daar de afgelopen jaren in vergelijking met andere Europese landen nog laag, waardoor iedereen is gaan investeren in Spanje. Daar is nu een klimaat ontstaan waarin jonge architecten verspreid over het hele land, kansen krijgen. Toonaangevend voor de frisse wind die door het land waait, is mijns inziens het feit dat wij in Madrid de Mirador (2004) hebben kunnen ontwikkelen, een gekantelde versie van de traditionele blokkenbouw, met de traditionele patio als ‘gat' en openluchtterras in de gevel. Een land dat zo'n knipoog naar de traditie toelaat, beschikt over een gezonde mate van zelfkritiek. Uiteraard spelen ook in Spanje vragen over veiligheid, angst en democratie, maar men is daar in staat om op een constructieve manier antwoorden te proberen te vinden. In zulke landen heerst dan ook onbegrip over de radicale Nederlandse transformatie: juist het land dat ze allemaal bewonderden om de bloeiende, transparante cultuur, trekt zich nu terug in een angstige, suffe winterslaap. En vraagt zich nederig af of het niet te klein is voor een evenement als de Olympische Spelen. Deze houding is dodelijk voor de Nederlandse cultuur. Ze schaadt de perceptie van transparantie en experimenteerdrang die in het buitenland over Nederland heerst en die de Nederlandse architectuur juist tot zo'n succesvol exportproduct gemaakt heeft. Als Nederland al over een kenniseconomie beschikte, dan was dat wel op het gebied van architectuur. Maar als we zo doorgaan, komen er over een aantal jaar geen busladingen architectuurtoeristen meer aan en zal de internationale publiciteit over Nederlandse architectuur verder afnemen. Bovendien lopen we het risico dat succesvolle architecten en designers uit eigen beweging naar het buitenland uitwijken. Daarom is het juist nu, nu beide generaties architecten nog in Nederland actief zijn in bouw en onderwijs en zich nog verbonden voelen met de Nederlandse geest, tijd om de architectuur te revitaliseren. Dat kan door enerzijds het venster op de wereld te heropenen en allerlei frisse ideeën binnen te halen en door anderzijds ons te concentreren op specifiek Nederlandse onderzoeken. Het ambitieuze apparaat dat we in de jaren negentig opgebouwd hebben, met het NAi, het Stimuleringsfonds, het Ruimtelijk Planbureau (2002), het Berlage-instituut (1990) en recentelijk ook de Delft School of Design (2004), dient de nieuwsgierigheid, de discussie, de daadkracht opnieuw tot een Nederlands specialisme te maken. Het NAi zou, net als het onder Betsky de afgelopen jaren heeft gedaan, tegen de stroom in moeten varen en ruimte moeten blijven bieden aan experimentele architectuur uit het buitenland en van eigen bodem. Ook de adviserende rol die ze zelf op zich heeft genomen door aanwezig te zijn bij belangrijke debatten, de publiciteit te zoeken en posities te bekleden binnen belangrijke organen, moet behouden blijven. De fondsen en onderzoeksinstellingen moeten het lef hebben om onderzoeken waarvan de urgentiegraad hoog is, zoals rond het thema klimaatwijziging, technologie van landschap en stedenbouw, op de kaart te zetten. Nederland is altijd goed geweest in urgentievraagstukken en moet daar dan ook aandacht aan blijven besteden. Bovendien spelen er natuurlijk een aantal typisch Nederlandse thema's zoals maakbaarheid en landschap. Die moeten niet alleen verder onderzocht worden en tot onderwerp van boeken gemaakt worden, maar tevens echt geïnstitutionaliseerd en verwezenlijkt worden. Wellicht krijgen de lichtnaïeve, maar daarom ook mooie exercities uit de jaren negentig dan een meer duurzame vorm. De Superdutch generatie heeft door de omslag volwassen moeten worden en de conceptuele methodiek diende misschien ook meer zwaarte en scherpte te krijgen. De afgelopen jaren zijn de vrolijke jonge honden van toen verzakelijkt en geïnstitutionaliseerd, om zo ook op professioneel niveau de strijd met de corporate architectuur aan te gaan. Betsky heeft altijd het belang van deze volwassenwording benadrukt. Nu we daarin geslaagd zijn, wordt het tijd om het behoudende klimaat in Nederland aan te pakken. Daarin kunnen architecten ook een rol spelen, door stelling te nemen en discussies in het onderwijs te ontketenen. Ons bureau heeft bijvoorbeeld met ‘Nederland Stad' een alternatieve ruimtelijke ordening voorgesteld, waarin de klassieke provincies als schaalniveau wegvallen en vervangen worden door bestuurseenheden die te maken hebben met enkele Grote Projecten of ambities. Dit in plaats van de huidige faciliterende toon in de planning, die leidt door een verdergaande en verstikkende sprawl . Het wordt nu tijd om weer over zulke structurele voorstellen te praten. Het vertrek van Betsky bij het NAi, dat van Alejandro Zaero-Polo bij het Berlage Instituut en de oprichting van de DSD vormen een momentum, dat een nieuw tijdperk kan gaan inluiden. Erop of eronder? Hopelijk kunnen we de vraag die Buchanan in 1998 op het hoogtepunt van de Nederlandse architectuur opwierp de komende jaren met een door discussie en nieuwsgierigheid gerijpt zelfbewustzijn ter zijde schuiven: “Could it be then, that the very conditions that have made modernism so natural to the Netherlands, as well as the (modernistic, WM) attitudes that now condition architectural and urbanistic debate there, make it difficult for the country to participate in shaping a new paradigm in architecture?” Mogen we na de jaren van dreigende ontreddering en ontluistering nu het tegendeel gaan bewijzen.” 1 Peter Buchanan, ‘Netherlands Now', A + U , nr. 336, 1998, p. 4-23, p. 5. 2 O.a. Aaron Betsky, Adam Eeuwens, False Flat. Why Dutch Design is So Good , London 2004. | |||
| < naar tekst | |||